
Lichtpuntjes
Lichtpuntjes
Plots klopte kabouter Tureluur aan de deur.
"Grote
mensenbuurvrouw, kom je even?" riep hij vriendelijk.
En daar was ze.
"Dag Tureluur," zei ze voorzichtig
glimlachend.
Tureluur lachte verlegen.
"Kan je over een half uurtje met
je grote mensenburen uit het straatje naar ons pleintje komen?"
vroeg hij. "We hebben wat te herdenken, aan te moedigen en we
willen jullie erbij."
"Oké," zei buurvrouw. "Ik trommel iedereen op en we komen naar het pleintje."
Ze was wel nieuwsgierig, maar hield zich voorzichtig in.
Hmm, dacht ze, zouden de kabouters alweer terugkomen? Heerlijk, dacht ze. Of zouden ze voorgoed vaarwel zeggen? O nee, dat kan en mag niet.
Zo snel als ze kon, liep de buurvrouw bij de naaste buren langs om de boodschap door te geven.
Samen verzamelden de grote mensen zich en stapten nieuwsgierig naar het pleintje. Het werd al duister en in de verte zagen ze allemaal lichtpuntjes schitteren.
En ja hoor, daar stonden hun lieve kleine buren.
Heerlijk om
te zien.
Ze hadden zich verzameld rond mooie lichtpuntjes.
Zo
mooi.
Zo warm.
Het was de tijd van de lichtpuntjes — een moment waarop iedereen even stil mocht staan bij hoop, herinnering en moed. Geïnspireerd door het grote mensen-evenement Lichtpuntjes tegen kanker, hadden de kabouters besloten ook hun eigen lichtjes te maken.
Ze werkten dagenlang met zorg. Kleine, ronde lampjes. Elk lichtpuntje kreeg een naam.
Er was een lichtje voor Brommeltje, die dapper vocht tegen de
vreselijke k-ziekte.
Eén voor Roosmarijntje, die altijd zong,
zelfs toen ze zo moe was.
En er waren lichtjes voor hen die ze
moesten loslaten, maar nooit zouden vergeten.
Toen alles klaar was, besloten ze hun lichtjes niet alleen in hun eigen tuin te laten schijnen. Want verdriet en hoop horen niet bij één volk alleen. Dus trokken ze, in een lange stoet van twinkelende stipjes, naar hun grote mensenburen.
De buren waren verrast toen ze ineens tientallen kleine, warme lichtjes zagen verschijnen tussen het gras. En daar, op de rand van het terras, stonden de kabouters — klein, maar rechtop en trots.
"Wij hebben lichtpuntjes gemaakt voor onze dierbaren," zei kabouteroudste Miel met trillende stem. "Voor hen die vechten. Voor hen die we missen. En voor alle moed die soms zo stil is dat niemand haar ziet."
De grote mensen knielden neer, zodat hun ogen op gelijke hoogte kwamen. Sommige grote mensen hadden ook gevochten. Sommige grote mensen hadden iemand verloren. Sommige kind-grote mensen droegen vragen in hun hart die te groot waren voor hun kleine handen.
Samen vormden ze een kring.
Toen brachten de kabouters hun laatste creatie naar voren. Het was geen klein lichtje. Het was een grote, ronde lamp,geplaatst op een mini kruiwagentje , speciaal gemaakt voor hun lieve grote mensen. In het midden brandde een stevige, warme vlam.
"Dit," zei Miel zacht, "is voor alle grote mensen en kind-grote mensen. Voor wie strijdt. Voor wie herdenkt. Voor wie moed verzamelt op dagen dat het bijna niet lukt."
De mensen hielden elkaars handen vast.
De kabouters deden
hetzelfde.
De kleine lichtpuntjes flakkerden niet in de wind — ze leken juist sterker te worden. Alsof elk vlammetje fluisterde: je bent niet alleen.
En terwijl de avond donkerder werd, werd het licht juist
groter.
Niet omdat het fel was.
Maar omdat het gedeeld
werd.Met herinneringen.
Met trots voor alle vechters.
En altijd met dat ene grote licht —
voor iedereen. 💛

